Oefenen met breuken

Kies je taal:
Oefen op deze pagina het rekenen met breuken. Het rekenen met breuken kan lastig zijn. Oefen daarom regelmatig het rekenen met breuken. Bepaal zelf de moeilijkheidsgraad van de opgaven. De opgaven bevatten allerlei oefeningen met breuken: oefen breuken optellen, oefen breuken aftrekken, oefen breuken vermenigvuldigen en oefen breuken delen met de onderstaande rekenmodule.

Breuken oefenen

4
5
-
1
6
=

Resultaat

4
5
-
1
6
=
19
30

Bekijk de uitleg

Toelichting berekening

1
Gelijknamig maken: maak de noemers van beide breuken gelijk.
Vermenigvuldig hiertoe de teller en de noemer van de ene breuk met de noemer van de andere breuk en andersom.
4 x 6
5 x 6
-
1 x 5
6 x 5
=
24
30
-
5
30
2
Trek de tellers van de breuken van elkaar af.
Omdat de noemers gelijk zijn, mogen we de tellers van elkaar afrekken.
24 - 5
30
=
19
30
3
Vereenvoudig de uitkomst indien mogelijk.
Om een breuk te vereenvoudigen ga je op zoek naar de grootste gemeenschappelijk deler van de teller en de noemer. De grootste gemeenschappelijk deler van 19 en de 30 is 1. Dit is dus al de eenvoudigste vorm van de breuk. We kunnen deze breuk dus niet verder vereenvoudigen.
19
30
=
19
30

Breukencalculator vernieuwd!

De breukencalculator is vernieuwd! Naast een nieuwe frisse lay-out en een verbeterde gebruikerservaring, tonen we je nu ook een stapsgewijze uitleg van de berekening.

Wat is een breuk?

Een breuk is de ongedeelde uitwerking van een deling van twee getallen. Het getal boven de breukstreep noemen we de teller, het getal onder de breukstreep de noemer. Als de teller kleiner is dan de noemer, ligt de waarde van de breuk tussen 0 en 1.